Реферат: Фламандские народные сказки и легенды


Нидерландский язык: Фламандские народные сказки и легенды

Vlaamse sprookjes


Geert van Istendael


Книгу адаптировал Сергей Павлик sergei.p@skynet.be


Метод чтения Ильи Франка


Hoe het koninkske het hoogst vloog

(Как королек выше всех летал)


In de tijd toen de vogels konden spreken (во время, когда птицы умели разговаривать) maakten ze nog meer ruzie dan de mensen (ругались они еще больше, чем люди; ruzie maken — устраивать скандал, ссору). Ze kwetterden en krakeelden de godganse dag (они тараторили и ругались целый Божий день; kwetteren — щебетать; болтать, тараторить). En zoudt ge soms peinzen dat ze er ’s nachts mee ophielden (думал ли ты иногда, что они по ночам умолкали: «и ты бы иногда думал, что они с этим по ночам переставали»; ophouden — прекращать), nee, ze maakten liever ruzie in de maneschijn (нет, они лучше ссорились под луной: «в лунном свете»). Er zijn nachtvogels genoeg (ночных птиц /ведь/ хватает), of niet misschien (не так ли: «или не может быть»)?


In de tijd toen de vogels konden spreken maakten ze nog meer ruzie dan de mensen. Ze kwetterden en krakeelden de godganse dag. En zoudt ge soms peinzen dat ze er ’s nachts mee ophielden, nee, ze maakten liever ruzie in de maneschijn. Er zijn nachtvogels genoeg, of niet misschien?


Het was niet meer te doen (это становилось невыносимым), ge werdt er puur doof van (ты просто глох от этого: «ты становился от этого чисто глухим»). De viervoetige dieren wilden hun beklag maken (четвероногие звери хотели пожаловаться: «хотели их жалобу сделать»). Maar bij wie (но кому: «при ком»), ik vraag het u (я вас спрашиваю), bij wie moesten ze klagen (кому они должны были жаловаться)? Die vogels (те птицы), dat floot maar (так и заливались: «они заливались/пением/») en dat kraaide allemaal dooreen (и все это галдело вперемешку; kraaien — петь; кричать), horendol zoudt ge worden (ты пришел бы в ярость; horendol = hoorndol — сильно возбужденный, яростный).


Het was niet meer te doen, ge werdt er puur doof van. De viervoetige dieren wilden hun beklag maken. Maar bij wie, ik vraag het u, bij wie moesten ze klagen? Die vogels, dat floot maar en dat kraaide allemaal dooreen, horendol zoudt ge worden.


De vogels vonden het nu toch ook stillekesaan genoeg (птицам это тоже стало постепенно надоедать: «птицы находили это теперь все-таки также постепенно довольно»; stilletjesaan = stillekesaan = langzaamaan = geleidelijk — постепенно). Ze besloten een koning te kiezen (они решили выбрать короля), die moest dan maar een einde maken aan al die twisten (он должен был тогда всем тем спорам положить конец). Een koning, die heeft macht (король — тот имеет власть), die geeft bevelen (тот дает указы) en de anderen moeten luisteren (и другие должны слушаться).

Maar hoe kies ge een koning (но как ты выбираешь короля)? Dat was niet zo moeilijk (это было не так трудно). De vogel die het hoogst kon vliegen werd koning (птица, которая выше всех сумела взлететь, становилась королем). Wie anders (кто иначе = кто же еще)?


De vogels vonden het nu toch ook stillekesaan genoeg. Ze besloten een koning te kiezen, die moest dan maar een einde maken aan al die twisten. Een koning, die heeft macht, die geeft bevelen en de anderen moeten luisteren.

Maar hoe kies ge een koning? Dat was niet zo moeilijk. De vogel die het hoogst kon vliegen werd koning. Wie anders?


Bij zonsopgang vlogen ze in een grote zwerm samen op het open veld (на восходе солнца они слетелись в большую стаю на открытом поле). Een lawaai dat dat gaf (ну и шуму же было: «шум, что это давало»)! Maar deze keer was het een blij lawaai (но в этот раз это был радостный шум), vol verwachting (полный ожидания). Voor één keer vlogen ze malkander niet in de pluimen (единственный раз они не ругались: «для одного раза летели они друг дружку не в перья»; malkander = elkaar — друг друга). Binnenkort zou het gekibbel voorgoed achter de rug zijn (вскоре прекратилась бы перебранка навсегда: «вскоре была бы перебранка навсегда за спиной»).


Bij zonsopgang vlogen ze in een grote zwerm samen op het open veld. Een lawaai dat dat gaf! Maar deze keer was het een blij lawaai, vol verwachting. Voor één keer vlogen ze malkander niet in de pluimen. Binnenkort zou het gekibbel voorgoed achter de rug zijn.


De raven krasten boven alle vogelstemmen uit (вόроны каркали громче всех: «над всеми птичьими голосами»; krassen — каркать). Alle vogels vlogen op (все птицы взлетели; opvliegen — взлетать, вспархивать). Zo hadden ze het afgesproken (так они договорились: «так имели они это договоренным»). Het was of de nacht weer viel (было /так/ темно, будто снова наступила ночь) al die vleugels verduisterden de zon (все те крылья затмили солнце). Hoger en hoger gingen ze (выше и выше поднимались: «шли» они) en gedurig aan (и постепенно) vielen er vogels af (отбивались от стаи птицы; afvallen — падать; выпадать) grote en kleine dooreen (большие и маленькие вперемешку). Ge kondt de zon weer een beetje zien (можно было снова видеть солнце). Zelfs de leeuwerik geraakte buiten adem (даже жаворонок выбился из сил: «даже жаворонок оказался без дыхания») en eer dat beestje zwijgt (а прежде, чем та птичка замолкнет) moet het al vlak tegen de zon vliegen (она должна быть почти у солнца: «почти до солнца долететь»).


De raven krasten boven alle vogelstemmen uit. Alle vogels vlogen op. Zo hadden ze het afgesproken. Het was of de nacht weer viel, al die vleugels verduisterden de zon. Hoger en hoger gingen ze en gedurig aan vielen er vogels af, grote en kleine dooreen. Ge kondt de zon weer een beetje zien. Zelfs de leeuwerik geraakte buiten adem en eer dat beestje zwijgt, moet het al vlak tegen de zon vliegen.


De arend bleef nog over op den duur (спустя некоторое время оставался еще орел; overblijven — оставаться). Hij steeg en steeg in grote kringen (он поднимался и поднимался большими кругами). Hij kneep zijn ogen nog allengs niet toe tegen de felle zon (он еще даже не щурился от яркого солнца: «он еще не сжимал своих глаз от яркого солнца»; toeknijpen — зажимать,сжимать). De arend steeg en steeg tot zijn hoogtepunt (орел поднимался и поднялся до своей высшей точки). Hoger kon hij niet (выше он не мог). En waarom zou hij (а ему это было и незачем: «а почему бы он»)? Beneden hoorde hij de vogels roepen: de arend is koning, de arend is koning (внизу он слышал кричащих птиц: орел — король, орел — король)!


De arend bleef nog over op den duur. Hij steeg en steeg in grote kringen. Hij kneep zijn ogen nog allengs niet toe tegen de felle zon. De arend steeg en steeg tot zijn hoogtepunt. Hoger kon hij niet. En waarom zou hij? Beneden hoorde hij de vogels roepen: de arend is koning, de arend is koning!


Maar wat was dat op de pluimen van zijn staart (но что это было на перьях его хвоста)? Een heel, heel klein vogelke vloog op (маленькая, очень маленькая птичка взлетела ввысь), veel hoger dan de arend vloog het (она взлетела намного выше, чем орел) en het floot zo hard als het geven kon (и она напевала так громко, как только могла: «могла дать»):

‘Koning ben ik, ben ik, ben ik! Koning ben ik (я король, я, я! я король).

Daar fladderde het koninkske (там порхал королек), een ferm stuk boven de arend (намного выше орла: «порядочный кусок выше орла») en het klom nog hoger, ja, het was nikske vermoeid (и она взбиралась еще выше, да, без устали).


Maar wat was dat op de pluimen van zijn staart? Een heel, heel klein vogelke vloog op, veel hoger dan de arend vloog het en het vloot zo hard als het geven kon:

‘Koning ben ik, ben ik, ben ik! Koning ben ik!’

Daar fladderde het koninkske, een ferm stuk boven de arend en het klom nog hoger, ja, het was nikske vermoeid.


En toen zweefde het naar beneden (а потом она спланировала вниз) en zonder ophouden riep het met een ongelooflijk luide stem (не переставая кричать невероятно громким голосом):

‘Koning ben ik, ben ik, ben ik! Koning ben ik!’

‘Gij zijt mij een schone koning (да какой же ты король)!’ riepen de vogels (кричали птицы). Ze voelden zich bedrogen (они чувствовали себя обманутыми).

‘Gij stinkaard met uw loense streken (ты вонючка, с твоими /грязными/ выходками), wat zoudt gij kracht hebben of rappe vleugels (откуда бы у тебя взялись сила или быстрые крылья)! Ge ziet u nog niet vliegen (тебя даже не видать в полете)’. En ze pikten met hun snavels naar het koninkske (и они заклевали королька: «…с их клювами в королька»), het moest kapot (он должен был погибнуть; kapot — погибший, мертвый).


En toen zweefde het naar beneden en zonder ophouden riep het met een ongelooflijk luide stem:

‘Koning ben ik, ben ik, ben ik! Koning ben ik!’

‘Gij zijt mij een schone koning!’ riepen de vogels. Ze voelden zich bedrogen.

‘Gij stinkaard met uw loense streken, wat zoudt gij kracht hebben of rappe vleugels! Ge ziet u nog niet vliegen’. En ze pikten met hun snavels naar het koninkske, het moest kapot.


Maar het koninkske was hun te rap af (но королек оказался проворнее их). Het vluchtte in een muizeholleke achter een haag (он залетел: «убежал» в мышиную норку за живой изгородью).

Vandaar dat de koninkskes zo laag langs de grond scheren (вот от того корольки и носятся так низко над землей). En ze bouwen hun nesten in holen en gaten (и они строят свои гнезда в норах и отверстиях). Ze hebben schrik van de vogels (они боятся птиц), maar ze blijven koning (но остаются королем). Dat roepen ze winter en zomer (об этом они кричат зимой и летом). Met een koninklijke stem (королевским голосом):

‘Koning ben ik, ben ik, ben ik! Koning ben ik!’


Maar het koninkske was hun te rap af. Het vluchtte in een muizeholleke achter een haag.

Vandaar dat de koninkskes zo laag langs de grond scheren. En ze bouwen hun nesten in holen en gaten. Ze hebben schrik van de vogels, maar ze blijven koning. Dat roepen ze winter en zomer. Met een koninklijke stem:

‘Koning ben ik, ben ik, ben ik! Koning ben ik!’


Van de jongen die aan de duivel verkocht werd

(О юноше, который был продан дьяволу)


Er was eens een boer (жил-был крестьянин) die zo arm was (который был так беден) dat hij zelfs zijn ezel moest verkopen (что ему даже пришлось продать своего осла; moeten — долженствовать). Hij ging ermee op weg naar de markt (он шел с ним по дороге на базар), maar lang was hij nog niet vertrokken (но он еще только отправился) toen hem een heer aansprak (когда к нему обратился один господин; iemand aanspreken — обратиться к кому-либо; заговорить с кем-либо). Die heer legde een dikke beurs geld op de rug van de ezel (тот господин положил на спину осла кошелек, полный денег; leggen — класть, положить).

‘Is dat genoeg voor dat beestje (этого достаточно за этого зверька: beest — зверь; домашняя скотина)?’ vroeg hij (спросил он).


Er was eens een boer die zo arm was dat hij zelfs zijn ezel moest verkopen. Hij ging ermee op weg naar de markt, maar lang was hij nog niet vertrokken toen hem een heer aansprak. Die heer legde een dikke beurs geld op de rug van de ezel

‘Is dat genoeg voor dat beestje?’ vroeg hij.


Meer dan genoeg was het (этого было более, чем достаточно), eigenlijk schandalig veel (собственно говоря, скандально: «постыдно» много).

‘Ge moogt hem zelfs houden, uw ezel (вы можете его даже себе оставить, вашего осла; mogen — иметь разрешение; желать), als ge hem goed verzorgt in mijn plaats (если вы вместо меня за ним будете хорошо ухаживать). Maar ik zou nog iets willen, iets kleins (но мне хотелось бы еще чего-то, чего-то незначительного),’ zei de heer (сказал господин), ’ uw eerste vrucht van volgend jaar (ваш первый плод следующего года). Over eenentwintig jaar kom ik die halen (через двадцать один год я за ним приду: «приду его забрать»)’.

Daar kon de boer niets kwaads in zien (ничего злого в этом крестьянин не видел: «в этом смог крестьянин ничего злого увидеть»). Eenentwintig jaar is lang (двадцать один год /длится/ долго).


Meer dan genoeg was het, eigenlijk schandalig veel.

‘Ge moogt hem zelfs houden, uw ezel, als ge hem goed verzorgt in mijn plaats. Maar ik zou nog iets willen, iets kleins,’ zei de heer, ‘uw eerste vrucht van volgend jaar. Over eenentwintig jaar kom ik die halen’.

Daar kon de boer niets kwaads in zien. Eenentwintig jaar is lang.


Sedert die dag ging het de boer voor de wind (с того дня крестьянину улыбалась удача; voor de wind gaan = voorspoed hebben — иметь удачу). Met nieuwjaar kreeg hij een zoon (на новый год у него родился сын). Eerst toen hij zijn kleine in zijn wiegske zag liggen (только когда он увидел лежавшего в качалке малыша), begreep hij dat het de duivel was geweest (он понял, что то был дьявол) die hem geld geboden had (предложивший ему деньги). Zijn kind was een kind van de duivel (его дитя был ребенком дьявола).


Sedert die dag ging het de boer voor de wind. Met nieuwjaar kreeg hij een zoon. Eerst toen hij zijn kleine in zijn wiegske zag liggen, begreep hij dat het de duivel was geweest die hem geld geboden had. Zijn kind was een kind van de duivel.


Hoe groter de jongen werd (чем взрослее становился юноша), hoe meer hij zijn vader hoorde zuchten (тем чаще он слышал вздыхающего отца). En telkens als hij zijn vader vroeg (и каждый раз, когда он своего отца спрашивал) waarom hij altijd zo moest zuchten (почему тот все время вздыхает), vluchtte die weg (тот убегал). Het duurde jaren (прошли годы) eer de boer zijn verhaal loste (прежде, чем крестьянин излил свою душу), van de ezel, het geld en de duivel (про осла, деньги и дьявола).


Hoe groter de jongen werd, hoe meer hij zijn vader hoorde zuchten. En telkens als hij zijn vader vroeg waarom hij altijd zo moest zuchten, vluchtte die weg. Het duurde jaren eer de boer zijn verhaal loste, van de ezel, het geld en de duivel.


De jongen, die een goed verstand had (смышленный юноша) en die mocht gaan studeren in de stad (которому было позволено /идти/учиться в городе), zocht raad bij de geleerdste professoren (искал совета у /самых/ ученых профессоров). De geleerdste van allemaal gaf hem een klein boek (самый всеведущий из всех дал ему маленькую книгу).

‘Zolang ge in dat boekske hier leest (до тех пор, пока ты читаешь эту книжку),’ zei hij (сказал он), ‘kan de duivel niets tegen u beginnen (дьяволу с тобой не справиться: «дьявол не сможет ничего начать против тебя»). Maar ge moet blijven lezen (но ты должен читать, не останавливаясь: «продолжать читать»).’


De jongen, die een goed verstand had en die mocht gaan studeren in de stad, zocht raad bij de geleerdste professoren. De geleerdste van allemaal gaf hem een klein boek.

‘Zolang ge in dat boekske hier leest’, zei hij, ’kan de duivel niets tegen u beginnen. Maar ge moet blijven lezen’.


Op zijn eenentwintigste verjaardag (в день его двадцать первого дня рождения), ’s morgens heel vroeg (ранним утром: «утром совершенно рано»), nam zijn vader hem mee de hof in (отец взял /его/ с собой в сад). Een heer stond hen op te wachten bij de stekelbessen (один господин стоял и поджидал их у/кустов/ крыжовника).

‘Hier is hij (вот он)’, zei de boer tegen de duivel (сказал крестьянин дьяволу) en hij schoof zijn zoon van zich af (и он отодвинул своего сына от себя; afschuiven — отодвигать;удалять). Er was nog niet veel licht in de lucht (было еще не так светло), maar de jongen las en las en las in zijn boekske (но юноша читал, и читал, и читал в своей книжонке) alsof zijn leven ervan afging (будто от этого зависела его жизнь; afhangen — зависеть, находиться в зависимости). Nu, het hing er ook van af (сейчас она как раз от этого и зависела).


Op zijn eenentwintigste verjaardag, ’s morgens heel vroeg, nam zijn vader hem mee de hof in. Een heer stond hen op te wachten bij de stekelbessen.

‘Hier is hij’, zei de boer tegen de duivel en hij schoof zijn zoon van zich af. Er was nog niet veel licht in de lucht, maar de jongen las en las en las in zijn boekske alsof zijn leven ervan afging. Nu, het hing er ook van af.


Razend werd de duivel (дьявол взбесился: «бешеным стал»; razend — бешеный,неистовый), hij was machteloos (он был бессилен), solferdamp sloeg uit zijn oren (серный пар повалил: «ударил» из его ушей; damp — пар) en met één slag slingerde hij de jongen driehonderd uren ver door de lucht (и он одним махом забросил юношу /на расстояние/ трехсот часов по воздуху). De jongen viel neer in het midden van een bos (юноша упал посреди леса; neervallen — упасть вниз). Daar, vlak voor zijn voeten (там, прямо у его ног) zag hij het hoofd van een vrouw (он увидел женскую голову). Ze was tot aan haar hals in de grond begraven (она была по шею закопана в землю) en ze riep (и она закричала; roepen — звать; кричать):


Razend werd de duivel, hij was machteloos, solferdamp sloeg uit zijn oren en met één slag slingerde hij de jongen driehonderd uren ver door de lucht. De jongen viel neer in het midden van een bos. Daar, vlak voor zijn voeten zag hij het hoofd van een vrouw. Ze was tot aan haar hals in de grond begraven en ze riep:


‘Smerige duivel, zijt ge weer daar (нечистый дьявол, это опять ты)? Komt ge me weer een keer bespotten (ты опять пришел надо мной издеваться; bespotten — насмехаться над кем-либо,чем-либо; издеваться)?’

‘Ik ben de duivel niet (я не дьявол)’, zei de jongen (сказал парень),’ en ik kom u verlossen (и я пришел вас спасти)’.

‘Maar ik weet niet hoe (но я не знаю как)’, dacht hij erbij (подумал он при этом).

‘Dat zult ge van uw leven niet kunnen (ни за что в жизни у тебя этого не получится: «не сможешь»)’, zei de vrouw, ‘ge moet dan naar het kasteel achter mij (для этого тебе нужно в замок, что позади меня)’.


‘Smerige duivel, zijt ge weer daar? Komt ge me weer een keer bespotten?’

‘Ik ben de duivel niet’, zei de jongen,’ en ik kom u verlossen’.

‘Maar ik weet niet hoe’, dacht hij erbij.

‘Dat zult ge van uw leven niet kunnen’, zei de vrouw,’ge moet dan naar het kasteel achter mij’.


Nu eerst keek de jongen op (только теперь юноша приподнял глаза; opkijken — смотреть вверх). Ja, daar stond een groot, donker kasteel (да, там стоял большой, мрачный замок).

‘In dat kasteel moet ge drie nachten doorbrengen (в том замке ты должен провести три ночи). De eerste nacht moet ge drie kaarsen branden (в первую ночь ты должен зажечь три свечи), de tweede nacht zes kaarsen (во вторую ночь шесть свечей) en de derde nacht negen (и в третью ночь девять). Ge moet blijven tot de kaarsen opgebrand zijn (тебе нужно /там/ оставаться, пока свечи не сгорят). Maar pas op (но будь осторожен), in dat kasteel wonen verschrikkelijke monsters (в том замке обитают ужасные чудовища)’.


Nu eerst keek de jongen op. Ja, daar stond een groot, donker kasteel.

‘In dat kasteel moet ge drie nachten doorbrengen. De eerste nacht moet ge drie kaarsen branden, de tweede nacht zes kaarsen en de derde nacht negen. Ge moet blijven tot de kaarsen opgebrand zijn. Maar pas op, in dat kasteel wonen verschrikkelijke monsters.’


De jongen werd nu toch een beetje ongerust (теперь юноша все же /чуть/ забеспокоился). Maar hij ging (но он пошел). In de grootste zaal stond een kandelaar met drie kaarsen (в самом большом зале стоял подсвечник с тремя свечами). Hij wachtte tot de avond viel (он подождал, пока наступит: «наступила» ночь), stak de kaarsen aan (зажег свечи; aansteken — зажигать, поджигать) en begon te lezen in zijn boekske (и начал читать в своей книжонке).


De jongen werd nu toch een beetje ongerust. Maar hij ging. In de grootste zaal stond een kandelaar met drie kaarsen. Hij wachtte tot de avond viel, stak de kaarsen aan en begon te lezen in zijn boekske.


Uit alle hoeken kwamen monsters op hem af geslopen (изо всех углов к нему подкрадывались: «подходили крадучись» чудища; afkomen — подходить; направляться), uit de vloer (из-под пола) en uit de zoldering (с потолка) en uit de schouw (из дымохода). Ze grepen naar hem en zijn boekske (они хватали его и его книжку) met hun ruige poten (своими косматыми лапами) en ze huilden en tierden (и они выли и вопили). De jongen verging van de schrik (юноша помирал от страха) maar hij las in zijn boekske (но он читал в своей книжке; lezen — читать), uren lang (часами: «в течение часов»; lang — долгий), tot de kaarsen een voor een doofden (пока свечи одна за другой не погасли; doven — тушить, гасить /без воды/). Geen haar op zijn hoofd was gekrenkt (с его головы не упало ни волоска: «ни волоса не было задето на его голове»; krenken — задевать; вредить). Hij ging terug naar de vrouw in het bos (он вернулся назад к женщине в лесу). Ze stak al tot onder haar oksels boven de grond uit (она выступала уже до /ее/ подмышек из земли: «над землей»; uitsteken — выдаваться, выступать).


Uit alle hoeken kwamen monsters op hem af geslopen, uit de vloer en uit de zoldering en uit de schouw. Ze grepen naar hem en zijn boekske met hun ruige poten en ze huilden en tierden. De jongen verging van de schrik maar hij las in zijn boekske, uren lang, tot de kaarsen een voor een doofden. Geen haar op zijn hoofd was gekrenkt. Hij ging terug naar de vrouw in het bos. Ze stak al tot onder haar oksels boven de grond uit.


De volgende avond ging de jongen weer naar de grote zaal in het kasteel (следующим вечером юноша снова пошел в большой зал в замок). Daar stond nu een kandelaar met zes kaarsen (теперь там стоял подсвечник с шестью свечами). Weer ontstak hij de kaarsen (он снова зажег свечи; ontsteken — зажигать;воспламеняться), weer begon hij te lezen (он начал снова читать) en weer vlogen monsters en spoken rond zijn hoofd (и снова летали чудища и привидения вокруг него: «вокруг его головы»). Ze sisten en spuwden vuur (они шипели и извергали огонь) en ze stonken naar zwavel en drek (и они воняли серой и навозом; spuwen — извергать;плевать) Maar wie ze niet aanraakten was de jongen (но к юноше они не прикасались: «но к кому они не прикасались /так/ это к юноше»). De zon was al op (солнце уже взошло) toen de zesde kaars uitging (когда погасла шестая свеча). De vrouw was nu tot aan haar knieën boven de grond uitgekomen (женщина выступила: «вышла» теперь до колен из земли).


De volgende avond ging de jongen weer naar de grote zaal in het kasteel. Daar stond nu een kandelaar met zes kaarsen. Weer ontstak hij de kaarsen, weer begon hij te lezen en weer vlogen monsters en spoken rond zijn hoofd. Ze sisten en spuwden vuur en ze stonken naar zwavel en drek. Maar wie ze niet aanraakten was de jongen. De zon was al op toen de zesde kaars uitging. De vrouw was nu tot aan haar knieën boven de grond uitgekomen.


’s Avonds ging de jongen voor de derde keer naar het kasteel (вечером юноша в третий раз пошел в замок). Nu stond in de grote zaal een kandelaar met negen kaarsen (теперь в большом зале стоял подсвечник с девятью свечами). Hij ontstak ze alle negen (он зажег /их/ все девять) en nam zijn boekske (и взял свою книжку). Een leger van monsters en gedrochten stortte zich op hem (армия монстров и страшилищ обрушилась на него), ze krijsten zijn oren doof (они оглушали его криком), de stank was ondraaglijk (вонь была невыносимой), maar de jongen las en bleef lezen (но юноша читал, не останавливаясь: «продолжал читать») en niks beet hem (и ничто его не кусало), niks krabde hem (ничто его не царапало), niks raakte hem aan (ничто к нему не прикасалось; aanraken — прикасаться, трогать). Toen doofde de negende kaars, de allerlaatste (потом потухла девятая свеча, самая последняя). De vrouw kwam hem tegengelopen (женщина бежала к нему навстречу). Op haar voeten plakte nog bosgrond (ее ноги /ступни/ еще были облеплены землей /с леса/). Ze kuste hem op zijn mond (она поцеловала /его/ в губы) en omhelsde hem (и обняла его).


’s Avonds ging de jongen voor de derde keer naar het kasteel. Nu stond in de grote zaal een kandelaar met negen kaarsen. Hij ontstak ze alle negen en nam zijn boekske. Een leger van monsters en gedrochten stortte zich op hem, ze krijsten zijn oren doof, de stank was ondraaglijk, maar de jongen las en bleef lezen en niks beet hem, niks krabde hem, niks raakte hem aan. Toen doofde de negende kaars, de allerlaatste. De vrouw kwam hem tegengelopen. Op haar voeten plakte nog bosgrond. Ze kuste hem op zijn mond en omhelsde hem.


‘Mijn naam is Beatrix (меня зовут Беатрис)’, zei ze (сказала она).’ Mijn vader heeft mij verwenst (мой отец проклял меня) en begraven tot aan mijn hals (и закопал по шею в землю) omdat ik niet wilde trouwen met een rijke tovenaar (потому что я не хотела выйти замуж за богатого колдуна), ik denk dat het de duivel zelf was (я думаю, что это был сам дьявол). En alleen een man die drie nachten kon blijven lezen tussen de monsters (и только мужчина, который три ночи смог /бы/ продолжать читать между чудовищами), zonder weg te lopen (не убегая), tot alle kaarsen opgebrand waren (до того, пока бы не сгорели все свечи), alleen die man kon mij bevrijden (только тот мужчина смог бы меня освободить)’. In dat bos bleven ze niet (они не остались в том лесу). Ze lieten het kasteel voor wat het was (они оставили замок таким, каким он был) en trokken naar de stad waar Beatrix geboren was (и отправились в город, где родилась Беатрис). Daar trouwden ze en ze leefden in welstand (там они поженились и /они/ жили в достатке), want Beatrix was van rijke afkomst (потому что Беатрис была из богатого рода: «происхождения»).


‘Mijn naam is Beatrix’, zei ze.’ Mijn vader heeft mij verwenst en begraven tot aan mijn hals omdat ik niet wilde trouwen met een rijke tovenaar, ik denk dat het de duivel zelf was. En alleen een man die drie nachten kon blijven lezen tussen de monsters, zonder weg te lopen, tot alle kaarsen opgebrand waren, alleen die man kon mij bevrijden’. In dat bos bleven ze niet. Ze lieten het kasteel voor wat het was en trokken naar de stad waar Beatrix geboren was. Daar trouwden ze en ze leefden in welstand, want Beatrix was van rijke afkomst.


Maar na een tijd begon de jongen naar huis te verlangen (но через некоторое время юноша затосковал: «начал тосковать» по дому). Hij wilde zijn ouders weerzien (ему хотелось вновь увидеть своих родителей). Beatrix nam hem mee naar de hof (Беатрис повела его с собой в сад). Ze spreidde haar hoofddoek uit op de grond (она расстелила на земле свою косынку; uitspreiden — расстилать; разбрасывать), liet haar man in het midden van die doek zitten en zei (усадила ее мужа в середине /того/ платка и сказала):

‘Een dondervlaag zal u meepakken naar uw vader en uw moeder (грозовой порыв /ветра/ унесет вас к вашему отцу и /вашей/ матери). Ik laat u gaarne gaan op één voorwaarde (я отпускаю вас с удовольствием при одном условии). Ge moogt onder geen beding thuis vertellen (вам нельзя ни при каких условиях рассказывать дома) hoe ge uw vrouw gevonden hebt (как вы нашли свою жену)’. Dat beloofde de jongen plechtig (юноша торжественно это пообещал). De lucht werd zo grijs als lood (воздух сделался свинцовым: «таким серым, как свинец»), er viel een donderslag en nog één en nog één (ударил гром, и еще /раз/ и еще раз; donderslag — удар грома). De doek vloog op in de wind (платок поднялся по ветру; opvliegen — взлетать вверх) en voerde de jongen op de dondervlaag naar huis (и повез юношу на грозовом порыве домой).


Maar na een tijd begon de jongen naar huis te verlangen. Hij wilde zijn ouders weerzien. Beatrix nam hem mee naar de hof. Ze spreidde haar hoofddoek uit op de grond, liet haar man in het midden van die doek zitten en zei:

‘Een dondervlaag zal u meepakken naar uw vader en uw moeder. Ik laat u gaarne gaan op één voorwaarde. Ge moogt onder geen beding thuis vertellen hoe ge uw vrouw gevonden hebt’. Dat beloofde de jongen plechtig. De lucht werd zo grijs als lood, er viel een donderslag en nog één en nog één. De doek vloog op in de wind en voerde de jongen op de dondervlaag naar huis.


Zijn ouders waren zot van blijdschap (его родители были без ума от радости) dat ze hem weerzagen (что они вновь его увидели). In hun gedacht had de duivel hun zoon doodgeslagen (в их воспоминании дьявол убил их сына) en daar stond die zoon springlevend en gezond voor hun ogen (а там стоял /тот/ сын перед ними живой и невредимый). Hij was gelukkig getrouwd (он был удачно женат), vertelde hij hun (он им рассказал), met de schone Beatrix (на красивой Беатрис) en ze woonden in de grote stad (и они жили в большом городе) en hadden geld en goed (и у них были деньги и имущество). Maar als ze vroegen waar hij zijn vrouw gevonden had, zweeg hij (но когда они спрашивали, где он нашел свою жену, он не отвечал: «молчал»).


Zijn ouders waren zot van blijdschap dat ze hem weerzagen. In hun gedacht had de duivel hun zoon doodgeslagen en daar stond die zoon springlevend en gezond voor hun ogen. Hij was gelukkig getrouwd, vertelde hij hun, met de schone Beatrix en ze woonden in de grote stad en hadden geld en goed. Maar als ze vroegen waar hij zijn vrouw gevonden had, zweeg hij.


Zijn moeder moest en zou weten (его мать должна была и хотела бы знать), waar hij die schone, rijke vrouw was gaan halen (где он встретил ту красивую, богатую женщину; halen — доставать;встречать). Telkens als ze daarover begon (всякий раз, когда она об этом начинала) deed hij alsof hij haar niet hoorde (он делал /вид/ будто он ее не слышал) of hij moest rap zijn vader gaan helpen in de stal (или = будто ему нужно было быстренько пойти помочь его отцу в хлеву). Maar na een paar dagen (но через пару дней) vertelde hij het haar uiteindelijk toch (он все же рассказал ей это/об этом), alles, van het kasteel (все, про замок), van de kaarsen en de monsters (о свечах и монстрах), van zijn boekske en Beatrix in de grond (о его книжечке и о Беатрис в земле). Hij was nog niet uitverteld (он еще не закончил говорить = не все рассказал) of zijn vrouw vloog voorbij (как мимо пролетела его жена) en ze riep nog vanuit de lucht (и прокричала с воздуха):

‘Vaarwel! U zult me nooit meer zien (прощайте! вы меня больше никогда не увидите)!’


Zijn moeder moest en zou weten waar hij die schone, rijke vrouw was gaan halen. Telkens als ze daarover begon deed hij alsof hij haar niet hoorde of hij moest rap zijn vader gaan helpen in de stal. Maar na een paar dagen vertelde hij het haar uiteindelijk toch, alles, van het kasteel, van de kaarsen en de monsters, van zijn boekske en Beatrix in de grond. Hij was nog niet uitverteld of zijn vrouw vloog voorbij en ze riep nog vanuit de lucht:

‘Vaarwel! U zult me nooit meer zien!’


De jongen kon zichzelf wel slaan (юноша был готов /в состоянии/ себя побить).

‘Nooit meer? Dat zullen we nog een keer zien (никогда больше? это мы еще: «еще один раз» посмотрим)’, zei hij. Hij vulde zijn beurs met goudstukken (он наполнил свой кошелек золотыми монетами) en ging op zoek naar zijn vrouw (и отправился на поиски своей жены). Toen hij een eindeke op weg was (когда он уже некоторое время был в пути), zag hij op een open plek in het bos drie kerels vechten (он увидел на поляне: «на открытом месте» в лесу трех дерущихся между собой парней: «увидел трех парней драться»). Vechten, vechten! Ze hadden elkaar de kop ingeslagen (они поразбивали бы друг другу головы) als hij niet geroepen had (если бы он не закричал): ‘Houd op (прекратите)!’

‘Waarom vecht u (почему вы деретесь)?’

‘Voor dat paar laarzen en die mantel (за ту пару сапог и тот плащ). We zijn drie broers, we hebben dat geërfd (мы три брата, мы получили это в наследство)’.

‘En daarvoor zouden jullie elkaar vermoorden (и за это вы бы убили = готовы убить друг друга). Dat is het toch ook niet waard (так это ведь того не стоит)’.


De jongen kon zichzelf wel slaan.

‘Nooit meer? Dat zullen we nog een keer zien’, zei hij. Hij vulde zijn beurs met goudstukken en ging op zoek naar zijn vrouw. Toen hij een eindeke op weg was, zag hij op een open plek in het bos drie kerels vechten. Vechten, vechten! Ze hadden elkaar de kop ingeslagen als hij niet geroepen had: ‘Houd op!’

‘Waarom vecht u?’

‘Voor dat paar laarzen en die mantel. We zijn drie broers, we hebben dat geërfd’.

‘En daarvoor zouden jullie elkaar vermoorden. Dat is het toch ook niet waard’.


‘Ja maar, dat zijn geen gewone laarzen (да, но это не простые сапоги). Met iedere stap brengen ze u driehonderd mijlen ver (с каждым шагом они проносят вас на расстояние трехсот миль дальше = еще на триста миль). En als ge die mantel over uw schouders hangt (и если вы набросите /себе/ на плечи тот плащ), kunt ge u in gelijk welk beest veranderen (то сможете превратиться в любого зверя)’.

‘Ik zal alles kopen, de laarzen en die mantel (я все куплю, сапоги и плащ)’.

De jongen opende zijn beurs met goudstukken (юноша открыл свой кошелек с золотыми монетами).

‘Nee, nee!’ riepen de drie broers nu in koor,’dat willen wij niet (нет, нет! закричали три брата теперь хором, мы не хотим этого).’ Wij verkopen geen erfstukken (мы не продаем унаследованное)!’

‘Dan zal ik uw scheidsrechter moeten zijn (тогда я должен буду стать вашим судьей)’, zei de jongen. Hij trok met zijn voet een streep in het zand (он прочертил ногой полосу на песке).


‘Ja maar, dat zijn geen gewone laarzen. Met iedere stap brengen ze u driehonderd mijlen ver. En als ge die mantel over uw schouders hangt, kunt ge u in gelijk welk beest veranderen’.

‘Ik zal alles kopen, de laarzen en die mantel’.

De jongen opende zijn beurs met goudstukken.

‘Nee, nee!’ riepen de drie broers nu in koor,’dat willen wij niet. Wij verkopen geen erfstukken!’

‘Dan zal ik uw scheidsrechter moeten zijn’, zei de jongen. Hij trok met zijn voet een streep in het zand.


‘Ga achter die streep staan alledrie (пойдите втроем /и/ встаньте за той чертой: «пойдите встать»). Ziet ge die eik daar, juist voor het bos begint (видите вон тот дуб, как раз перед лесом: «/где/ лес начинается»; daar — там)? Tot aan die eik moet ge lopen (до того дуба вам нужно добежать), zo hard als ge geven kunt (как можно быстрее: «так сильно, как вы можете дать»), en dan terug tot over de streep hier (а потом обратно до вот этой черты: «до черты здесь»). Wie het eerst terug is (кто самым первым вернется), mag het eerste kiezen (может выбирать первым). De tweede, die krijgt wat er overschiet (второму достанется то, что останется: «остается»). De derde krijgt niks (третий ничего не получит: «получает»)’.


‘Ga achter die streep staan alledrie. Ziet ge die eik daar, juist voor het bos begint? Tot aan die eik moet ge lopen, zo hard als ge geven kunt, en dan terug tot over de streep hier. Wie het eerst terug is, mag het eerste kiezen. De tweede, die krijgt wat er overschiet. De derde krijgt niks’.


Dat was rechtvaardig gesproken, vonden de drie broers (три брата нашли это справедливым: «это было справедливо сказано, нашли три брата»). Er was toch niet genoeg voor alle drie (все равно на троих бы не хватило). Ze legden de mantel en de laarzen bij de jongen achter de streep (они положили плащ и сапоги за чертой возле юноши), hij klapte in zijn handen (он хлопнул в /свои/ ладоши) en ze schoten vooruit, zo rap als ze geven konden (и они понеслись вперед, так быстро, как только /они/ могли). De jongen zag hen ginder ver rond de eik draaien (юноша увидел их там вдали, поворачивающими вокруг дуба), in een wip trok hij de laarzen aan (в одно мгновение он натянул сапоги), pakte de mantel onder zijn arm (подхватил плащ под руку) en weg was hij, driehonderd mijl verder bij iedere stap (и исчез: «и прочь он был», с каждым шагом на триста миль дальше).


Dat was rechtvaardig gesproken, vonden de drie broers. Er was toch niet genoeg voor alle drie. Ze legden de mantel en de laarzen bij de jongen achter de streep, hij klapte in zijn handen en ze schoten vooruit, zo rap als ze geven konden. De jongen zag hen ginder ver rond de eik draaien, in een wip trok hij de laarzen aan, pakte de mantel onder zijn arm en weg was hij, driehonderd mijl verder bij iedere stap.


Dagen en weken trok hij rond (он странствовал дни и недели; rondtrekken — странствовать, скитаться), van noord naar zuid (с севера на юг), van oost naar west (с востока на запад), duizenden mijlen deed hij (он прошел: «сделал» тысячи миль). Hij kwam in een grote, drukke stad (он прибыл в большой, многолюдный город). De mensen hadden hun huizen versierd en de straten gekeerd (люди украсили свои: «их» дома и подмели улицы). Die dag zou de prins trouwen met een voorname dame uit den vreemde (в тот день принц должен был жениться на знатной чужестранке: «на благородной даме с чужбины»). Beatrix was haar naam (ее звали Беатрис). Dadelijk zocht de jongen het paleis (юноша тотчас разыскал дворец).


Dagen en weken trok hij rond, van noord naar zuid, van oost naar west, duizenden mijlen deed hij. Hij kwam in een grote, drukke stad. De mensen hadden hun huizen versierd en de straten gekeerd. Die dag zou de prins trouwen met een voorname dame uit den vreemde. Beatrix was haar naam. Dadelijk zocht de jongen het paleis.


Bij de poort sloeg hij de mantel om zijn schouders (у ворот он накинул плащ на плечи; omslaan — накидывать;надевать), veranderde zich in een vlieg (превратился в муху) en vloog naar binnen, op zoek naar de vertrekken van Beatrix (и влетел во дворец: «внутрь», в поисках покоев Беатрис). Ze zat voor haar spiegel haar haar te kammen (она сидела перед /ее/ зеркалом и причесывала /свои/ волосы: «сидела причесывать»). De vlieg streek achter haar neer op de leuning van haar stoel (муха приземлилась/села позади нее на спинку /ее/ стула) en veranderde zich in een mens (и превратилась в человека; neerstrijken — спускаться;садиться). Beatrix schrok op (Беатрис вскочила от испуга; opschrikken — вскакивать в испуге).


Bij de poort sloeg hij de mantel om zijn schouders, veranderde zich in een vlieg en vloog naar binnen, op zoek naar de vertrekken van Beatrix. Ze zat voor haar spiegel haar haar te kammen. De vlieg streek achter haar neer op de leuning van haar stoel en veranderde zich in een mens. Beatrix schrok op.


‘Kom mee (пошли со мной) ’, zei de jongen.

‘Maar nee (да нет же), ik kan niet (я не могу), ik moet vandaag nog trouwen met de prins (я должна сегодня выходить замуж за принца)‘.

‘Dat gaat niet, ik ben nog altijd uw man (это невозможно, я все еще ваш муж)’.

Daar stond Beatrix nu (там стояла Беатрис теперь /в растерянности/). Ze wist niet wie ze moest kiezen (она не знала, кого она должна была выбрать).

Ten einde raad riep ze de ministers van de prins bijeen in de troonzaal (чтобы выйти из положения, она созвала министров принца в тронном зале; bijeenroepen — созывать; собирать; ten eind raad zijn — зайти в тупик; eind — конец; raad — совет).‘Heren, ik zit met een moeilijke vraag (господа, я нахожусь в затруднении: «я сижу с трудным вопросом»). Ge zult mij moeten helpen een antwoord te vinden (вы должны будете мне помочь найти ответ).


‘Kom mee’, zei de jongen.

‘Maar nee, ik kan niet, ik moet vandaag nog trouwen met de prins’.

‘Dat gaat niet, ik ben nog altijd uw man’.

Daar stond Beatrix nu. Ze wist niet wie ze moest kiezen.

Ten einde raad riep ze de ministers van de prins bijeen in de troonzaal.

‘Heren, ik zit met een moeilijke vraag. Ge zult mij moeten helpen een antwoord te vinden.


Ge weet dat ik een grote kleerkast heb (вы знаете, что у меня есть большой шкаф для одежды; kleren — одежда; kast — шкаф). Toen ik daar verleden week een zijden hemdeke uit wilde halen (когда я на прошлой неделе из него хотела достать шелковую рубашку), zag ik dat ik mijn sleutel kwijt was (я увидела, что мой ключ потерялся: «был потерян»; kwijt — лишенный чего-либо). Ik heb overal gezocht (я повсюду искала), in de zaken van mijn jas (в карманах моего пальто), onder de kast (под шкафом), overal in mijn vertrekken (везде в моих покоях), nergens kon ik die sleutel vinden (нигде не смогла я найти тот ключ). Had ik hem mislegd (положила /ли/ я его /где-то/ по ошибке) of had ik hem laten vallen (или я его обронила: «дала упасть»), ik wist het niet (я не знала), hij was en hij bleef verloren (он так и не нашелся: «он был и оставался пропавшим»). Ik heb dan maar een nieuwe sleutel laten maken (я велела тогда изготовить новый ключ) bij de beste slotenmaker van de stad (у лучшего замочного мастера города).


Ge weet dat ik een grote kleerkast heb. Toen ik daar verleden week een zijden hemdeke uit wilde halen, zag ik dat ik mijn sleutel kwijt was. Ik heb overal gezocht, in de zaken van mijn jas, onder de kast, overal in mijn vertrekken, nergens kon ik die sleutel vinden. Had ik hem mislegd of had ik hem laten vallen, ik wist het niet, hij was en hij bleef verloren. Ik heb dan maar een nieuwe sleutel laten maken bij de beste slotenmaker van de stad.


Maar juist toen ik met mijn prachtige, nieuwe sleutel de kast open wilde doen (но как раз, когда я моим прекрасным, новым ключом, хотела открыть шкаф), kwam de kok aangelopen met de oude sleutel (прибежал: «прибыл бегом» повар со старым ключом; aanlopen — прибегать). Hij had die gevonden in zijn keuken (он нашел его в своей кухне). Nu is mijn vraag (теперь мой вопрос): ’Welke sleutel verdient mijn voorkeur, de oude of de nieuwe (какой ключ заслуживает мое предпочтение, старый или новый)?’


Maar juist toen ik met mijn prachtige, nieuwe sleutel de kast open wilde doen, kwam de kok aangelopen met de oude sleutel. Hij had die gevonden in zijn keuken. Nu is mijn vraag:’Welke sleutel verdient mijn voorkeur, de oude of de nieuwe?’


Daar moesten de ministers van de prins niet lang over nadenken (министрам принца долго гадать не пришлось: «министрам принца не пришлось долго думать над этим»). Eenparig beslisten ze (единодушно они решили):

‘De oude sleutel (старый ключ), die heeft u al zoveel diensten bewezen (он, который уже столько раз сослужил вам службу), ja, zeker, de oude sleutel (да, точно, старый ключ)’.

‘Wel, heren (так вот господа)’, zei Beatrix,’vandaag zou ik trouwen met uw prins (сегодня я должна была бы выйти замуж за вашего принца). Er zal geen bruiloft zijn (свадьбы не будет)’.


Daar moesten de ministers van de prins niet lang over nadenken. Eenparig beslisten ze:

‘De oude sleutel, die heeft u al zoveel diensten bewezen, ja, zeker, de oude sleutel’.

‘Wel, heren’, zei Beatrix,’vandaag zou ik trouwen met uw prins. Er zal geen bruiloft zijn’.


Ze liet de jongen binnenkomen (она велела впустить юношу) en pakte zijn hand vast (и взяла его/крепко/ за руку; vastpakken — крепко держать).

‘De prins is de nieuwe sleutel (принц — это новый ключ). Deze man is mijn oude sleutel (этот мужчина — мой старый ключ). Met hem ben ik ooit getrouwd in een andere stad (я была когда-то за ним замужем, в другом городе). We leefden daar in welstand en geluk (мы жили там в достатке и счастье), maar boze krachten hebben van zijn zwakheid misbruik gemaakt (но злые силы воспользовались: «злоупотребили» его слабостью; misbruik maken van iets — злоупотреблять) en hebben ons uiteengedreven (и разлучили нас: «разогнали врозь»; uiteendrijven — разгонять). We hadden elkaar verloren (мы потеряли друг друга), maar nu heeft hij mij teruggevonden (но теперь он меня снова отыскал; terug — назад, обратно). Hij is mijn man, met hem ga ik mee (он мой муж, я пойду с ним)’.


Ze liet de jongen binnenkomen en pakte zijn hand vast.

‘De prins is de nieuwe sleutel. Deze man is mijn oude sleutel. Met hem ben ik ooit getrouwd in een andere stad. We leefden daar in welstand en geluk, maar boze krachten hebben van zijn zwakheid misbruik gemaakt en hebben ons uiteengedreven. We hadden elkaar verloren, maar nu heeft hij mij teruggevonden. Hij is mijn man, met hem ga ik mee’.


De ministers waren ontsteld (министры были напуганы), maar ze moesten haar gelijk geven (но им пришлось признать ее правоту; gelijk — равный; geven — давать; iem. gelijk geven — признать чью-либо правоту). De prins was razend en riep zijn soldaten (принц был вне себя и позвал своих солдат). Maar die bleven als aan de grond genageld staan en zagen omhoog (но они оставались стоять как вкопанные: «пригвожденные к земле», смотря вверх; nagel — гвоздь). Want op een dondervlaag vlogen Beatrix en haar man terug naar hun huis in de andere stad (потому что Беатрис и ее муж улетали назад домой, в другой город, на порыве грозового ветра). En daar leefden ze samen nog lang en gelukkig (и там они жили вместе еще долго и счастливо).


De ministers waren ontsteld, maar ze moesten haar gelijk geven. De prins was razend en riep zijn soldaten. Maar die bleven als aan de grond genageld staan en zagen omhoog. Want op een dondervlaag vlogen Beatrix en haar man terug naar hun huis in de andere stad. En daar leefden ze samen nog lang en gelukkig.


Waarom de distelvink zo bontgekleurd is

(Почему щегол так пестро окрашен)


Het was in de tijd (это было во время) dat Onze-Lieve-Heer zijn schepping in orde bracht (когда Господь: «наш любимый Бог» приводил в порядок свое творение; ^ Heer — господин; Господь; lief — дорогой, любимый). De vogels moesten nu maar eens allemaal verschillende kleuren krijgen (все птицы должны были теперь получить различную окраску; maar — но, же, только; eens — один раз, как-то; allemaal — все), anders kon hij ze niet meer uiteenhouden (иначе он не мог их больше друг от друга различить).

‘Papegaai!’ riep Onze-Lieve-Heer (попугай! позвал Господь).

Hij pakte hem in zijn nekvelleke (он взял его за шкирку; nek — шея; затылок; vel — кожа, шкура), doopte zijn fijn penseel in de pot (окунул свою тонкую кисть в банку) en begon: grasgroen, geel, hevig rood (и начал: травянисто-зеленый, желтый, ярко-красный). De papegaai tettert nu nog altijd over zijn felle kleuren (попугай даже еще сегодня тараторит о своей яркой окраске; tetteren = schetteren — кричать;тараторить). Zijn stem is ook fel, maar ver van schoon (его голос так же резок/пронзителен, но далек от красивого).


Het was in de tijd dat Onze-Lieve-Heer zijn schepping in orde bracht. De vogels moesten nu maar eens allemaal verschillende kleuren krijgen, anders kon hij ze niet meer uiteenhouden.

‘Papegaai!’ riep Onze-Lieve-Heer.

Hij pakte hem in zijn nekvelleke, doopte zijn fijn penseel in de pot en begon: grasgroen, geel, hevig rood. De papegaai tettert nu nog altijd over zijn felle kleuren. Zijn stem is ook fel, maar ver van schoon.


Dat de nachtegaal een schone stem heeft (о том, что у соловья красивый голос), weten de poëten allang (поэты знают уже давно). Dat vogelke heeft nochtans maar een klein lekske verf gekregen van Onze-Lieve-Heer (тем не менее птичке досталась от Господа /лишь/ маленькая капелька краски), een klein beetje grijs, wat bruin misschien (немножечко серого и, может быть, немножко коричневого).


Dat de nachtegaal een schone stem heeft, weten de poëten allang. Dat vogelke heeft nochtans maar een klein lekske verf gekregen van Onze-Lieve-Heer, een klein beetje grijs, wat bruin misschien.


De pimpelmezen gaf hij een lichtblauwe kop (синицам-лазоревкам он дал светло-голубую голову) en de koolmezen een zwarte (а обыкновенным синицам — черную). Van zwart gesproken (говоря о черном), de kraaien maakten zo’n ruzie met de raven op de rand van de pot zwartsel (ворóны так ругались с вóронами на краю банки с черной краской) dat ze allebei er invielen (что /они оба/в нее упали; invallen — упасть во что-то). Het is er aan te zien tot op de dag van vandaag (по ним это заметно по сегодняшний день). Onze-Lieve-Heer was bezig het kauwke zwart te maken (Господь занимался тем, что окрашивал галку в черный). Hij kon het nog juist een kwak grijs in zijn nek slaan (он едва успел ей: «ему» мазнуть шею серым) voor het opvloog (как она/он взлетел/а).

‘Dan herkent ge uzelf tenminste (ты себя /теперь/ по крайней мере распознаешь) tussen al die andere zwarte neven en nichten (между всеми теми другими, черными племянниками/двоюродными братьями и племянницами/двоюродными сестрами)!’


De pimpelmezen gaf hij een lichtblauwe kop en de koolmezen een zwarte. Van zwart gesproken, de kraaien maakten zo’n ruzie met de raven op de rand van de pot zwartsel dat ze allebei er invielen. Het is er aan te zien tot op de dag van vandaag. Onze-Lieve-Heer was bezig het kauwke zwart te maken. Hij kon het nog juist een kwak grijs in zijn nek slaan voor het opvloog.

‘Dan herkent ge uzelf tenminste tussen al die andere zwarte neven en nichten!’


Na uren en uren was het er eindelijk mee gedaan (спустя часы со всем /этим/ было наконец-то закончено). Alle vogels waren allang weggevlogen (все птицы уже давно улетели) en Onze-Lieve-Heer begon zijn penselen te kuisen (а Господь начал чистить свои кисточки). Hij was zo moe als een hond (он был такой уставший, как собака). Maar wat was dat (но что это /было/)? De distelvink kwam nog aangevlogen, buiten adem (прилетел еще и щегол, едва дыша: «вне дыхания»; aanvliegen — подлетать; прилетать). En dat beestje stond nog puur in de grondverf (и та птичка: «зверек» была еще окрашена просто в грунтовую краску: «стояла еще в чистой грунтовой краске»)!


Na uren en uren was het er eindelijk mee gedaan. Alle vogels waren allang weggevlogen en Onze-Lieve-Heer begon zijn penselen te kuisen. Hij was zo moe als een hond. Maar wat was dat? De distelvink kwam nog aangevlogen, buiten adem. En dat beestje stond nog puur in de grondverf!


‘Waar hebt gij heel de tijd gezeten (ты где все /это/ время пропадал: «сидел»)?’ vroeg Onze-Lieve-Heer.’Ik werk hier het vel van mijn vingeren (я здесь во всю работаю: «срабатываю кожу с моих пальцев») om alleman een kleurke te geven (чтоб
еще рефераты
Еще работы по разное